Welkom op de website van Sprankel vzw ...
Vereniging van ouders van normaalbegaafde kinderen met leerproblemen

AfdrukkenE-mailadres

Waarom lijkt men soms zo lang te aarzelen om echt de diagnose dyslexie uit te spreken?

Dyslexie is een restdiagnose. Dit wil zeggen dat men dit woord slechts gebruikt als alle andere mogelijke verklaringen voor de leesachterstand zijn uitgesloten.

De achterstand moet ook opvallen ten opzichte van wat men normaal van dit kind zou mogen verwachten. Het moet ernstig zijn.

Het kind moet voor de andere schoolse vaardigheden (bvb. rekenen) in principe wel goed presteren. In de eerste jaartjes van de basisschool zie je dit op het rapport. Er is bvb. 10% of meer verschil in punten tussen het totaal van alle taalvakken en het totaal van alle rekenvakken.

Het is wel mogelijk dat een, voor de rest behoorlijk intelligent kind, zowel moeite heeft met leren rekenen, als met leren lezen. Hetzelfde kan zich voordoen met een eerder zwakbegaafd kind (IQ tussen 75 en 85) dat nog moeizamer leert lezen en schrijven dan het al even zwakbegaafde klasgenootje. Men spreekt dan van comorbiditeit. Op dat ogenblik wordt de diagnose uiteraard een stuk moeilijker.

Er moet zeker 3 tot 6 maand ernstig remediërend met het kind gewerkt zijn door de klassentitularis, de taakleerkracht of zorgcoördinator of een logopedist. Wanneer, ondanks deze ernstige inspanningen, de vooruitgang eerder klein is, en de leerstoornis dus hardnekkig blijkt te zijn, dan pas kan men beginnen denken aan dyslexie.

Echt vlot leren lezen en correct schrijven vraagt tijd. Daarvoor dienen het 1e en 2e leerjaar in de lagere school. Pas eind 2e leerjaar of begin 3e leerjaar kan men echt aan de diagnose dyslexie gaan denken.

Grofweg 5 à 10 % van de leerlingen van een gewone school heeft dyslexie. Er zijn echter veel meer leerlingen, tot zelfs in de secundaire school, die niet echt vlot hebben leren lezen en schrijven omwille van tal van andere redenen. Men spreekt dan van 'lage geletterdheid'.

Laatst aangepast op sept142008
rbdjav